“Vertel ze dat ik alleen maar iemand wilde om me te verzorgen, en mensen om me heen.”

Het is nu vijf dagen geleden dat ze me dat in haar paniek en wanhoop door de telefoon op het hart drukte. Het was geen nieuwe boodschap. Ik hoorde dezelfde boodschap al jaren, vanaf het moment dat ze uit het ziekenhuis ontslagen werd, met een toentertijd gediagnosticeerde middelmatige depressie.

En ik zal vermoeid gereageerd hebben. De expliciete suïcide-dreiging in die ene zin. Ik was er nog steeds niet ongevoelig voor. Maar reikte wel per automaat naar de voor mij dragelijke gedachte dat ze het weekend wel weer zou overleven, en maakte de bekende mentale notitie om haar na het weekend op te bellen. Maar het voelde niet helemaal lekker. Dus op zaterdag appte ik haar, de verbinding zoekend in ons gedeelde verleden, die toen voor ons beiden werd overwoekerd door uitzichtloosheid en gierende angst. Dit was haar reactie: “Dank je Bas, voor je lieve woorden. Ik gun jou ook zo, dat het je goed gaat. Ik leef met je mee.” Ik was gerustgesteld. Maandag appte ik haar weer. Of ze het weekend had overleefd. Er kwam geen antwoord. En dat was het antwoord.

“Vertel ze dat ik alleen maar iemand wilde om me te verzorgen, en mensen om me heen.”

Een mens in het existentiële nauw doet voor een gemiddelde buitenwacht rare sprongen. Wil hulp van een psycholoog. Dan weer niet. Wil opgenomen worden in een zorghotel. Dan weer niet. Roept dat er niemand is, terwijl het huis dag in dag uit gevuld wordt door hulpverleners. Maar bovenstaande boodschap, daar is ze de afgelopen jaren volstrekt consequent in geweest. En ik heb er geen twijfel aan dat als ze opgenomen zou zijn geweest in een gemeenschapshuis, met ruimte voor rouw, verbinding, begrip door ervaringsgelijken, middelen om te zoeken naar nieuwe zingeving, en wie weet, romantiek, ze de afgelopen maandag mijn appje nog had beantwoord.

Ik herinner me haar verslaglegging van de visite van die ene psychiater nog, die haar zonder met de ogen te knipperen vertelde dat haar verpletterende eenzaamheid een maatschappelijk probleem was, niet een psychiatrisch. Tot ziens. Ik herinner me hoe haar vechtlust omtrent ‘een plek om te zijn’ uiteindelijk werd vernietigd door een sessie bij haar thuis rondom het thema ‘zelfredzaamheid’. Ik herinner me haar hoop én wanhoop bij de zoveelste verbijsterde en tot in de ziel gekwetste nieuw naar binnen geharkte hulpverlener die haar vertelde dat haar omstandigheden onmenselijk waren, en dat hij, of zij, er nu echt iets aan ging doen. Sommigen zag ze daarna nooit meer. Anderen vochten voor wat het waard was. Voor een plek voor haar, met mensen om zich heen. En waar ze verzorgd zou worden.

Ik stel me een parallel universum voor, waar door de meedogenloze grilligheid van het lot mijn vriendin en kinderen me door een onfortuinlijk auto-ongeluk ontvallen. Ik hoor hoe haar laatste woorden aan mij dan uit mijn éigen mond komen. En ik meen te weten dat bij gebrek aan welk uitzicht dan ook, ik zéér wel mogelijk, door alle angst heen, dezelfde uitweg zou kiezen als zij. Hoe ik, vanaf het moment van dat ongeluk, tot aan mijn doodsvlucht, zou hebben gehunkerd naar een thuis. Een thuis met een open deur, een open haard, een huis met lotgenoten, die me, in hun armen, zouden hebben laten rouwen. En me, wellicht, stapje voor stapje zouden leiden naar een dag, waarin ik zou hebben gezien hoe prachtig de boom in de gezamenlijke tuin eigenlijk is, afgezet tegen de grijze lucht van een mistige novemberochtend. Hoe levenslust haar rechtmatige plek in mijn lijf dan weer zou innemen.

Kijk naar de eenzame mens. Zie hoe hij of zij is opgesloten in haar of zijn eigen fort. Muren tot aan de hemel, gebouwd door zijn of haar omgeving, gebouwd door die mens zelf. Of nee, preciezer gezegd: gebouwd door de wisselwerking. Te gebroken, te vaak gekwetst, te angstig om er nog alleen doorheen te kunnen breken. Zie daar hoe het huidig adagium, waarin je jezelf dient te redden, de slag definitief en volledig heeft verloren. Eenieder die dan nog meent te weten dat een vervangend thuis, een draaghuis, onder die omstandigheden, niet kan, of niet nodig is, is in mijn bescheiden mening volledig blind voor wat een mens niet kan zijn, namelijk, in existentie, alleen.

“Vertel ze dat ik alleen maar iemand wilde om me te verzorgen, en mensen om me heen.”

Meis. Het zou te makkelijk voor me zijn je nu te zeggen ‘dat ik het ze verteld heb’. Want mijn hele intuïtie fluistert me toe, dat die boodschap nog minstens een miljoen keer moet worden gezegd, vermeld, getoond. Omdat we, met de huidige goddeloze verering van het ik, en de niets ontziende en schijnbaar onverschillige slachting die dat met zich mee brengt, volledig zijn afgedwaald van dat wat ieder van ons in tijden van vrede, vreugde én opperste nood nodig heeft, namelijk:

een onvoorwaardelijk, oordeelloos, liefdevol, hoopgevend, en lichtgevend thuis.

2 reacties op “Draaghuizen II

  1. Liefste Bas, gister overleed de moeder van mijn geliefde op 88 jarige leeftijd aan het andere eind van de wereld. Ze overleefde 2 zonen en een echtgenoot die in de oorlog en tijdens zuiveringen zijn omgekomen. Maar in haar lijden werd er voor haar gezorgd, ze had een liefdevol thuis van dochters en kleinkinderen. Ook al geldt er geen enkel legitiem vergelijk van diep lijden ….ik weet het……maar als ik moest kiezen tussen A en de moeder van M dan wist ik het met het grootste gemak.
    Je schiet met jouw schrijven weer trefzeker raak in de emotionele roos. Met jouw analytische en toch zo liefdevolle blik naar deze gebeurtenis. Gecondoleerd!

Laat een reactie achter op Mariëtte Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.