Het is bijna vijf jaar geleden dat ik mijn laatste inrichting uit strompelde. Ergens ooit de vuistregel gelezen dat, als je genezings(?)traject een beetje succesvol verloopt, je jezelf na die periode van 60 maanden hersteld mag verklaren.
I tend to agree. Ik kan dat voor mezelf aan de buitenkant aflezen aan de hand van mijn sociale situatie: ik woon in een huis, ik heb vriendin en kinderen om me heen, functioneer ruim voldoende, en ben vanaf 1 januari zelfs weer in loondienst. Succes aldus. Een stabiele identiteit.
Maar de buitenkant is wat mij betreft slechts een ietwat treurige afgeleide van wat identiteit is. Wat vanzelfsprekend de vraag doet rijzen wat identiteit euh… écht is. Van binnenuit. En die onzekerheid wordt gevoed door het hedendaagse dwingende adagium “wees jezelf”. Ik weet niet hoe het met uw feeds staat, maar als ik mijn social media opentrek, wordt dit gebod op dagbasis in allerlei soorten en maten uitgehoest. Ben het, of zorg dat je het wordt. En hoe weet je of je jezelf bent? Bijna zonder uitzondering moet ik concluderen dat ‘jezelf zijn’ volgens de innerlijke identiteitsexperts inhoudt dat je je tevreden en gelukkig voelt. Dan ben je jezelf. Anders gezegd: het antwoord op de vraag of je jezelf wel of niet bent, ligt verankerd in het gevoel.

La naïveté.

Laat ik u, ter leringh ende vermaeck, meenemen naar het jaar 2014. In dat jaar vochten depressie en euforie in mijn lijf en geest om de eerste plaats. Ik kon echt tevreden en gelukkig zijn met mijn leven: de belangrijkste omstandigheden van mijn leven (menselijke relaties, huis, bezigheden) werkten als ondersteuning voor het bovenstaande tevreden en gelukkige gevoel. Tjonge, wat was ik dan, in het licht van bovenstaande, mezelf. Om, en ik overdrijf geenszins, binnen een halve dag diezelfde omstandigheden als uitermate bedreigend en beangstigend te mogen ervaren. Ik kon, zittend op de bank, voelen hoe, terwijl ik niets deed of, niet onbelangrijk, nauwelijks dacht, mijn gemoedstoestand omsloeg van behoorlijk zonnig naar diepzwart. Omgekeerd gebeurde dat ook.

Met andere woorden: ongeacht omstandigheden of gedachten, dus ongeacht de variabelen waarvan je mag aannemen dat dat dé basiselementen zijn die een gemoedstoestand beïnvloeden, sloeg het gevoel om. Van licht euforisch, naar existentiële angst en weer terug. Waarbij aangetekend mag worden dat ik in beide situaties verbijsterd bleef over hoe ik daarvoor euh… was. Reizend van de gedachte “Hoe heb ik nog geen vier uur geleden zo vrolijk en zelfverzekerd kunnen zijn? Life is hell.”, naar: “Hoe heb ik me vanochtend zo ellendig en waardeloos kunnen voelen? Life is a party!”. En weer terug.

Ik kan op basis van mijn eigen ervaringen niet anders concluderen dan dat het gevoelsleven geen relatie heeft met een innerlijke identiteit. Of andersom: identiteit is een relatief begrip: word je al decennia blij en ellendig van dezelfde gedachten of omstandigheden? Dat geeft dan een aardige indicatie van wie je bent. Waarbij de garantie op dat laatste niet verder reikt dan tot aan de deur van het eerste de beste psychiatrisch ziekenhuis.

Rest de vraag: als ik niet ben wat ik voel, en niet ben wat ik denk, what the hell ben ik dan wel? Als ik een volstrekt onpraktisch en niet toetsbaar esoterisch antwoord wens te negeren (“Ik ben bewustzijn. Ik ben God in het diepst van mijn gedachten”, enz..), en de brug naar de gemiddelde geluksgoeroe én de medemens wil slaan, dan is een mogelijk antwoord te vinden in de rafelranden van mijn eigen zwart-wit ervaring: wat was er dat, ongeacht mijn ‘Hoera!’- of juist ‘Argh!’-stemming, me toch een gevoel van vrede en geluk bracht?

En daar heb ik antwoord op: ergens naar toe autorijden.

Serieus. Al voelde ik me nog zo ellendig, als ik de auto instapte en ergens heen reed, dan kwam de stroom van rust ondanks alle ellende tóch dat lijf in stromen. Autorijden blijkt dé constante factor van mijn identiteit te zijn.

En nu heb ik een vraag.

U moet u zich voorstellen dat ik in gesprek ga met een bovengenoemde coach. Die een expert is in het vinden van je ware zelf. Met oefeningen, gesprekken, yoga, tai-chi, familie-opstellingen, klodders verf op papier, reisjes naar Spanje of India of wat er in dat wereldje dan ook allemaal maar te vinden is.
En die me dan licht bemoederend of -vaderend vraagt of ik mezelf ben. En dat ik dan bevestigend antwoord geef. En dat er vervolgens, vanuit een lichte professionele irritatie (‘Wat?! Een leek die zomaar straffeloos roept dat ‘ie zichzelf is?’), of bezorgdheid (‘Is dat wel zo? Zit ‘ie niet op een dwaalspoor en moet ik ‘m niet redden?’), of gewoon op basis van omzetverlies (‘Dit is slecht nieuws voor mijn portemonnee.’) wordt gereageerd met een ietwat verrast “O ja?”. En dat ik dan antwoord met: “Ja. Ik ben een autorijder onderweg naar een niet nader gedefinieerde eindbestemming.”

Zou ik er dan met dat korte antwoord mee wegkomen denkt u?

Ik hoop van wel. Voor degene tegenover me, that is. Want als niet, dan loopt diegene een redelijke kans op een behoorlijke klotedag als gevolg van mijn vurige inzet om het vak van ‘wees jezelf’-coach volledig aan gort te stampen. Wat dan biensûr blij en tevreden moet worden ondergaan door betreffende professional: anders is ‘ie zichzelf niet meer.

En dat kan natuurlijk niet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *