Kapitaalvernietiging

Afgelopen week staat het er bol van: 1871 zelfmoorden per jaar. Volgens de cijfermanagers relatief minder dan dertig jaar geleden. En in vergelijk met Europa komen we er in Nederland nog best goed vanaf. Dus wat is het probleem? Het doet me denken aan een kennis die me tijdens mijn echtscheiding in augustus 2012 voorspiegelde dat er per jaar wel 50.000 mensen scheiden, dus waar ik me druk over maakte. Ik kan het beeld nog steeds niet onderdrukken dat mocht deze kennis ooit worden geconfronteerd met een medisch doodvonnis, ik haar dan vertel dat er op jaarbasis wel 150.000 Nederlanders overlijden. Dat zou haar dan in ieder geval op moeten luchten.

Nu kan ik een betoog op gaan houden dat er maar één cijfer goed is voor het voorkomen van zelfmoorden, namelijk ‘nul’. Dat elk mensenleven telt, elke verscheurde familie er één is, de intrinsieke waarde van een mensenleven niet in cijfers is uit te drukken.

Maar dat doe ik niet.

Omdat het niet helpt: als ik zoek naar artikelen over het sentiment achter elke geslaagde of niet geslaagde zelfmoordpoging dan kan ik blijven lezen tot ik op mijn sterfbed lig. Het appèl helpt niet.

Dus gooi ik het over een andere boeg:

het niet kunnen voorkomen van een geslaagde zelfmoordpoging is kapitaalvernietiging.

Echt. Het kost onze maatschappij een ontiegelijke hoeveelheid kennis. En kennis is macht. En dus geld. Het is alsof je kilo’s goud op dagbasis in de oceaan dumpt. Ontzettend dom.

Waarom?

Ik doe een paar stappen terug: we staan in Nederland nog steeds zo’n beetje bovenaan in de welvaartsstatistieken. Wat we daar heden ten dage mee doen is het zo veel mogelijk vergroten van de hoeveelheid eten, materie, sociale contacten, afijn, het afvullen van de piramide van Maslow. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat deze verzamelwoede voortkomt uit onze eindeloze kwelling, namelijk de angst voor de dood. Terwijl de bewijsvoering dat dat niet werkt toch behoorlijk overtuigend is. Het lijkt ons evenwel als collectief niet te boeien, de verzamelwoede, met alle ecologische en emotionele schade gaat onverminderd door.

Goed. En nu. Ik kan niet anders dan tot de conclusie komen dat al deze mensen die zichzelf van het leven hebben beroofd in feite informatiedragers zijn over hoe deze angst te overwinnen. Begrijp me niet verkeerd: ik weet best dat de kans dat je dood wilt bijna nul is, en dat het probleem er in zit dat het leven an sich ondraaglijk is geworden. Maar op basis van persoonlijke ervaring kan ik niet anders zeggen dat het persoonlijk gevecht met de dood me immaterieel enorm heeft verrijkt:

Minder materialistisch.
Meer gericht op de ander.
Minder veroordelend.
Opener.
Empathischer.
Tevredener.

Al met al leef ik een stuk lichter met mij. En zo ook mijn directe omgeving. En het lijkt me statistisch onmogelijk dat ik de enige ben die die winst na dat gevecht heeft opgestreken.

Anders gezegd en conform het inzicht een aantal Griekse filosofen: de bron van geluk is te (leren) sterven voordat je doodgaat. En dus: laten we het zelfmoordcijfer naar nul brengen en op jaarbasis potentieel 1871 docenten van bovenstaande resultaten in de maatschappij neerzetten. Daar worden we allemaal blijer van. En innerlijk rijker.

Inclusief de cijfermanagers.

Duurtijd

Het is januari 2013, half 9 ’s ochtends. Kloktijd. Ik sta op mijn balkon. Het sneeuwt. En ik schakel al mijn zintuigen op voor een ideaal leven:

Ik zie me rondlopen in een door licht overgoten kamer. Een houten tafel. Een oude typemachine. Buiten zie ik bomen, een kruidig grasveld, en daarachter een traag stromende rivier. Boven is mijn mokkagekleurde prachtige vriendin iets enorm nuttigs aan het doen. Mijn kinderen spelen buiten met een hond en twee katten.
Met mijn ogen dicht loop ik met mijn vingers de nerven van de tafel af. De warme ochtendzon streelt mijn huid met zo een zachte hand.
Ik ruik vers gebrande koffie waar het hete water nog maar net op is gegoten.
Ik hoor de vogels, het getik van een specht, het lied van één, nee twee merels.

Als ik me terug verplaats naar mijn balkon is het half 2 ’s middags. Ik heb 5 uur aaneengesloten rondgelopen op de plek waar ik thuis ben. Kloktijd. En de hoeveelheid tijd die ik voelde als verstreken? Niet meer dan een half uur. Duurtijd.

Het boek Stil de tijd van Joke Hermsen is in mijn ogen het beste boek van de afgelopen vijf jaar. Het is, zonder dwingend te worden, een overtuigend pleidooi om de kloktijd weer ondergeschikt te maken aan de onze eigen innerlijke tijd. Daar waar we in 150 jaar ongemerkt veranderd zijn in slaven van dè klok, die van iedereen is, en dus van niemand, is er die eigen plaats, met die eigen tijd. Jouw plaats. Jouw tijd.

Voel je hoe je intuitie je toeroept dat je daarmee je leven terugkrijgt? En hoe het slechts aan mij en iedereen om je heen is om jouw ruimte- en tijdsbesef met liefde te benaderen?

Ik claim mijn tijd terug.
Ik claim mijn eigen wereld terug.
Ik maak van mijn eigen beleving, en niet die grijze gemene deler van alles, weer het uitgangspunt van mijn wetenschap, mijn realiteit. En daarmee maak ik het collectief, dat iedereen gijzelt, maar niemand is, weer ondergeschikt.

Een nieuwe geur prikkelt mijn neus: het is de geur van de eerste stap op weg naar de vrijheid. Het ruikt naar een kruidig grasveld en vers gebrande koffie.

Overdenking 5: Recept voor het oplossen van eenzaamheid

14-5-2016

Afgelopen maandag was Dikkie op bezoek. Spreker. Docent. Ex-psychiatrisch patiënt. Mens. Dikkie gelooft in God. God is altijd bij haar.  De zekerheid spatte van haar af.

En ik was jaloers. Buikpijn makend stinkend jaloers. Volgens een RIVM onderzoek van 2012 is over een miljoen mensen in Nederland eenzaam, waarvan één derde ernstig eenzaam, waarbij eenzaamheid wordt gedefinieerd als: “een situatie van eenzaamheid is het subjectief ervaren van een onplezierig of ontoelaatbaar gemis aan (kwaliteit van) bepaalde sociale relaties.”
Ik ben eenzaam. Ik ga het niet ontkennen. En, conform deze definitie, wat mis ik dan precies? Kwaliteit. Welke kwaliteit? Begrepen worden. Hoe graag wil ik dan begrepen worden? Nou, tot in het bot.

Op die dag heb ik na het bezoek een aantal ingrediënten op het aanrecht gelegd:

1) Ene Lotte Brunt claimt dat slimme mensen de noodzaak hebben om gelovig te zijn, omdat er niemand is die ze verder kúnnen geloven. Of om met de woorden van wijlen Freddy Mercury te spreken, in de hitsingle ‘Sombebody to love’: “I got nobody left to believe.”

2) In de achttiende eeuw was het Kant die de fundamentele wetenschappelijke discussie tussen Rationalisten en Empiristen beslechtte met zijn Copernicaanse revolutie. Kort samengevat was dit zijn conclusie: we kunnen de werkelijke realiteit niet kennen, aangezien we gevangen zitten in ons beperkte kenvermogen. Elke zoektocht met onze zintuigen en/of ons verstand blijft beperkt tot de grenzen van dat kenvermogen. Een aangezien ons kenvermogen gekleurd is, is de werkelijke aard van elk ding (das Ding an sich), ongekend. Het kan niet gekend worden. Nooit. Never. Niemahls.
En wat nu als God das Ding an sich ís? Dan ben ik eindelijk de wetenschap kwijt in mijn zoektocht naar God en dat sluit dan ook weer naadloos aan bij de Godsbeleving van Kierkegaard, namelijk dat om God te ervaren, een 
leap of faith nodig is. Niets anders helpt. 

3) Vilayanur Ramachandran is een psychiater die zich bezig houdt met mensen met neurologische aandoeningen. Zoals een split brain syndrome, waardoor rechter- en linkerhelft zo goed als van elkaar gescheiden zijn. Tijdens een onderzoek stelde hij de rechterhelft van iemand met dit syndroom de vraag (ja, dat kan met iemand met een split brain syndrome) of God bestond. Het antwoord was een eenduidig “Ja”. Daarna stelde hij deze vraag aan de linkerhelft van dezelfde persoon. Het antwoord was een eenduidig “Nee”. Hier heb ik uit geconcludeerd dat het linkerdeel van je brein geen God kent, domweg omdat dit deel zo een concept dat niet concreet is, niet kan bevatten. Het rechterdeel kent God, omdat het alleen holistisch en hier-en-nu ís kan registreren.

4) Echkart Tolle’s antwoord op de vraag wat liefde is: “De mate waarin je je herkent in een ander.”

Vervolgens heb ik deze dingen in de blender gegooid. Het ding aangezet. Dik tien minuten laten doordraaien. Het prutje wat eruit kwam in een flink glas geschonken. Opgedronken. En mijn brein kwam met de volgende stoutmoedige actie:

Ik creëer een engel. Heb hem vervolgens op een meter achter me gepositioneerd. Rechtsachter. Deze engel heb ik afgevuld met maar twee superieure kwaliteiten:
De eerste is empathie. Deze engel, die ik vanaf die dag met me laat meelopen, ervaart mij. Hij voelt exact wat ik voel (het is een hij, don’t ask me why). Vanuit zijn koninkrijk, het Ding an sich, leeft hij voor 100% mee met mijn geworstel met het leven. En weet hoe onnodig het is biensûr: alles is al goed.
De tweede is acceptatie. Voor honderd procent wordt mijn gehele denken, doen en laten door deze engel geaccepteerd. Verder niets: geen advies, hints, tips, trucks, whatever.
Dus, samengevat: sinds vijf dagen loopt er op een meter rechtsachter van me iets of iemand in het domein van het Ding an Sich, die me op alle mogelijke manieren ervaart, en me zonder enige terughoudendheid accepteert, iets wat mijn medemensen onmogelijk voor elkaar kunnen krijgen.

En plots ben ik een magiër: ik heb mijn eigen good parent, my own personal Jesus….. gecreëerd. It’s better than gold.

Of…

toch de monnik? En heb ik hem gevonden? Want zo’n een entiteit zou wel eens heel dicht in de buurt kunnen komen van wat grote groepen mensen met een bijna dood ervaring hebben ontmoet.

Hoe dan ook, het is in beide gevallen een diep, diep geruststellende ervaring.

Herinnering 5: Wolf

De wereld is zwart wit.

Knerpend drukken de donkere laarzen de vers vallende sneeuw plat. Ik draai mijn hoofd omhoog en voor me zie ik een ijzeren poort. Tierelantijntjes. Ik duw de deur open, doe twee stappen en een zee van door sneeuw bedekte, maar nog zichtbaar grijze opstaande stenen vult mijn blikveld. Een tombe rechts, verder weg. Overal klimop, versiert met wit. Bomen, zwaar door de vracht. Vlokken dwarrelen met miljarden uit de lucht naar deze stille wereld. Knerp, knerp. Achter me een klein ruitenspoor van mijn eigen zolen. Ze worden snel gevuld, elke stap lijkt zo verdwenen. Een klein pad dat doorloopt. Links de manshoge muur, rechts de eindeloze rijen aan graven. Knerp, knerp. Wat doe ik hier? Het lijkt alsof mijn ratio een laatste hopeloze poging doet om dit gedrag te verklaren, maar intuïtie neemt, eindelijk, in alle rust de regie over. Zoveel vrede in mijn buik. Knerp knerp. Helemaal aan het eind van het pad is een klein doorgangetje zo lijkt het, wat rechtstreeks doet uitkijken over de weilanden en de zoom van een bos. Het trekt me. Vlak voordat ik door dat kleine tunneltje wordt getrokken stop ik. De muur naar het weiland is lager, ik hoef het tunneltje niet door om de omvang van de witte natuurpracht te zien. Rechts van me nog een laatste lange rij aan graven. Kindergraven. Als ik verder kijk, lijken de individuele stenen over te gaan in een steeds kleinere rij zwarte puntjes midden in een eindeloos doorlopende wolk van wit. Mijn aandacht wordt getrokken door twee graven vlak bij me, Ik loop 2 meter naar rechts en blijf staan voor één, nee twee plaatsen. Kleine graven, kleine steentjes. Ik loop een meter langs de richel en veeg de namen schoon.

De tijd verdwijnt.

Enkel mijn dochters vullen mijn beeld. Lachend en spelend in de zomer. En mijn hoofd verdampt.

Naast het ligt een jas. Ietwat schuddend licht het het been uit de waardeloze laarzen. Verbaasd ziet het zijn tot vacht en klauwen getransformeerde handen aan. Het schudt zijn kop. En ruikt aan de stenen voor zich. Vreemd bekend. Uit het weiland stijgt gehuil op. Zacht trippend draait het zich naar de doorgang van de begraafplaats. In de wei, ver voor hem, staat een grijze wolf. Hij staart hem aan. Hij roept hem stil. Hij is zijn vader. Dan draait de kop zich om, en de grijze wolf verdwijnt geruisloos in het woud. De zoon wil volgen maar nog één maal rukt zijn kop zich om naar de stenen. Vaag vertrouwd. Om terug te komen. Maar niet nu. Nu roept het de wolf. Diep, diep tussen de bossen ruik het vers bloed.

Het dier draaft het weiland op, en wordt opgeslokt door de bos-zoom. In zijn oren kraakt de sneeuw licht door de zachte en nauwkeurig dravende poten.

Het leven is hier. En hier alleen.

Herinnering 4: Zingeving

Ik sta in het hart van mijn woestijn. Achter, links, voor, rechts overal zand. Niet de sprookjesachtige heuvels van duizend-en-een-nacht. Wel een strakke zandvlakte, waar niets op groeit. Duizend-en-een-nachtmerrie.
Mijn voorland, toekomst, is dood. No life.

Ik loop het stafhok binnen. Drie verpleegsters, een medior, senior en junior kijken me vragend aan. Ik stoor ze blijkbaar in één of ander overleg. Ik vraag of ze iets over zingeving hebben. Iets om iets aan deze woestijn te doen.

Ik krijg de ‘gebutste-auto-blik’. Zin-ge-ving. Ik zie de raderen draaien. Langzaam. Ietwat glazige ogen. Maar er gebeurt daar wat. Uiteindelijk. De junior blijkt het snelst. “Ik weet iets!” roept ze enthousiast, en verlaat tijdelijk het bij elkaar geklonterde groepje. Ze loopt naar een kast, en haalt er tien seconden later een grote rode klapper uit. Verwoed bladert ze door de klapper, vindt wat ze dacht te moeten vinden, legt de klapper op tafel, klapt ‘m helemaal open en haalt er triomfantelijk twee blaadjes uit die ze me overhandigt.

“Hier. Ga die maar eens invullen.”

Ik sta versteld. Zou het mogelijk zijn dat de GGZ Psychiatrie alle problemen en filosofische raadsels rond zingeving in, in totaal twee A4tjes heeft weten samen te ballen tot een kosmisch geheel? Waarmee voor eenieder vragen rond de reden van het bestaan een sluitend en met name werkbaar antwoord krijgt? Ben ik hier met de spreekwoordelijke neus in de dikke, vette, naar hemelsmakende roomboter gevallen? Opgetogen leen ik een potlood en spoed mij naar mijn kamertje.

Het is een lijst met 80 acties. Voor die acties staat een leeg hokje:

 “Een biljartje leggen.”                 Oiiiii…. aankruisen of niet?
 “Kopje koffie bij de buren.”       Juist…. aankruisen of niet?
 “Met de hond wandelen.”          Ok…. aankruisen of la maar.

The list goes on and on and on.

Ik stap terug het hok in met de mededeling dat ik hier niet zoveel aan heb. Teleurgesteld word ik aangekeken. Waar de senior over een jaar het pensioen ingaat en zich klaarblijkelijk nog geen zorgen maakt over zoiets als zingeving (ik vermoed dat ze de 67+ cursus afwacht voor dat soort zware vragen), doet de medior nog een tweede poging:

“En het huishouden dan? Daar ben je toch gauw een hele tijd mee bezig hoor.”

Mijn mentale rolluiken gaan dicht. Ik bedank voor de goede bedoelingen en loop de keuken in.

Ik kijk naar buiten. Voor mijn geestesoog ontvouwt mijn enorme zandbak zich opnieuw. Ik pak een glas, laat deze vollopen met water en houd mijn hoofd schuin. Met chirurgische precisie en eindeloos geduld giet ik het water door mijn rechteroor mijn hoofd in.

Nu maar wachten tot de woestijn gaat bloeien.

Overdenking 4: The hand of God

In het boek “Over mijn lijk” van Simon Critchley wordt de 17e eeuwse Vlaamse filosoof Arnold Geulincx weggezet als diegene die, and I quote, “wellicht de meest merkwaardige causaliteitstheorie in de geschiedenis van de filosofie heeft ontwikkeld”.

Wat houdt deze theorie in het kort in? Uitgangspunt is dat we een handeling pas een handeling mogen noemen, als we precies weten hoe deze tot stand komt. Aangezien mensen onvoldoende zelfbewustzijn hebben, en onvoldoende kennis hebben over hun handelen, kunnen mensen dus niet echt handelen. Diegene die echt in staat is om te handelen, dat wil zeggen diegene die dus exact weet hoe een handeling tot stand komt, is God.

In wezen sluit dit aardig aan bij de uitspraak van Søren Kierkegaard: “Het leven wordt vooruit geleefd, en achteruit begrepen”. Met andere woorden: we doen maar wat, en in retrospectief creëren we de rationaliteit.
Het sluit ook aardig aan bij de theorie van Daniel D. Dennet, namelijk dat we buiten ons bewustzijn al tot actie overgaan. Ons bewustzijn wordt als allerlaatste geinformeerd over de ingezette handeling.

Een praktisch voorbeeld:
stel dat ik de intentie heb om mijn overbuurman te vermoorden.
Ik heb noch het inzicht in het totale spectrum van mijn innerlijke motivatie hiervoor (bij navraag kan ik bijvoorbeeld zeggen dat ik ‘klaar was met zijn pesterijen’, terwijl er dieperliggende jeugdpatronen liggen volgens psychologen, of karma-patronen liggen volgens Boedhisten, of een chemische disbalans is in mijn hersenen volgens een clupje psychiaters, enzovoort), noch het totale spectrum van de externe omstandigheden (waardoor mijn poging slaagt of faalt): het geweer kan in mijn hand ontploffen, of onderweg naar mijn afspraak met de dood van mijn buurman overvalt de frisse lentelucht me en zie ik op basis daarvan van de hele actie af, terwijl ik bewust niet verder kom dan “ach, laat ook maar”. Of de schietpartij verloopt precies conform mijn verwachting. Punt is, ik weet pas wat de handeling is geweest, als de handeling is uitgevoerd.

Kort samengevat: ik ben verantwoordelijk voor de intentie, maar de verantwoording voor de feitelijke ontvouwing van die intentie kan ik niet dragen, aangezien de causaliteit gepaard gaande met die ontvouwing ver boven mijn begrip en kunde uitgaat. Anders gezegd: het ‘ik’ is slechts toeschouwer van het wereldlijk schouwspel. Ik heb immers geen idee of mijn intenties ook maar in de verste verte bewaarheid worden. Dat laatste is in de handen van God.

Critchley noemt de theorie merkwaardig.

Ik vind het zelf wel meevallen: klinkt namelijk best logisch.

Overdenking 3: Het lichaam heeft een ik

Wat hebben Eckhart Tolle (voorheen overigens Ulrich Tölle), Jiddu Krishnamurti en Sri Ramana Maharshi gemeen?

Het zijn alle drie gelukszoekers. Wat maakt dan het verschil met de rest van ons?

Ze kunnen het tijdloos vasthouden.

Hoe? In het kort: alle drie, op hun eigen manier, zijn ze allereerst tot de conclusie gekomen dat er een tijdloze bron van geluk aanwezig is, altijd en overal.
Vervolgens zijn ze tot de conclusie gekomen dat het ego zelf de storende factor is om dat geluk permanent te ervaren. Het is immers het ego dat een constant verschil maakt tussen het ik en de ander, en zich dus bijna permanent bevindt in een staat van angst, woede, verantwoordelijkheid en/of vrijheid, laten we zeggen, paraatheid.

Dus hebben ze op basis van dat inzicht hun ego vaarwel gezwaaid.
Het gevolg is dat ze het ‘niet nadenken’ prediken.  Immers: nadenken = schakelen tussen verleden en toekomst (wat we dagelijks doen) = bezig zijn met materialistische herinneringen op basis waarvan we alleen maar meer ‘dood’-leven genereren, namelijk verzuimen om hier & nu aanwezig te zijn.

Nog korter samengevat:

Het ZIJN =.
Het IK BEN = de illusie.

Waar ik structureel moeite mee heb is de manier waarop deze mannen praten over hun ego-loosheid. In het kort bedenk ik me namelijk: ‘lieve mensen, hoe doen jullie je boodschappen?’ Je kunt nog zo ego-loos zijn, maar hoe voer je dan je dagelijkse overleven uit?

Nu is er een oplossing:
in plaats van ‘ik heb een lichaam’ (wat suggereert dat ik meer ben dan een lichaam, wat elke materialist zal tegenstaan) wordt de formule:

‘het lichaam heeft een ik’.

Eigenlijk conform een übermaterialist als de filosoof Daniel C. Dennet : dat idee van een ‘ik’ is er om het voortbestaan van het lichaam, voor zolang mogelijk, te borgen.

En wat ik nou zo mooi vind: Tolle, Krishnamurti en Maharshi zullen hem niet tegenspreken. Dat vinden zij namelijk ook.  En zo verenigt de extreemste materialistisch denker zich met de grootste spirituele denkers en doeners van de huidige wereld.

Kicken!

Overdenking 2: Existentiële eenzaamheid

Ik ben boos. En bang.

De twee emoties die maar constant opdoemen als de relatie tussen mij en degene die tegenover me zit niet in vrede is. Wat heerst is de uiterst dwingende behoefte om opgenomen te worden, gezien, gehoord, begrepen te worden. Waarbij niet de nauwe betekenis van ‘begrijpen’ wordt bedoeld (“het kunnen volgen met je verstand”) maar de brede: “omvatten”; “je omvat weten”. Wellicht dat ‘omvatten’ het werkwoord is wat het dichtst de voldoening omschrijft hoe we ons voelen als we ons volledig in het collectief voelen opgenomen.

Ik zie mijn coach voor me.
Wat mijn behoefte was.
En ik die in verwarring en frustratie uitte dat ik zo graag gezien, gehoord, begrepen wilde worden. En hij, die me met alle mogelijke liefde van deze wereld aan keek en zei: “hier zul je het maximum krijgen van wat je, wat dit betreft, op deze aarde zult zoeken”.
Ik voelde me, op een schaal van 1 tot 10, tot een 5 omvat. En op basis van zijn uitspraak, blijkbaar het maximum.

En zie hier: existentiële eenzaamheid: het is het aan de ene kant het helse inzicht dat mijn medemens me maar tot zover kan begrijpen. En aan de andere kant het hemelse inzicht dat mijn medemens me volledig wil begrijpen.

Waarom dat laatste? Omdat eenieder volledig omvat wil worden. Begrijp me niet verkeerd: ik doel niet op de behoefte tot 100% bescherming. Ik denk dat we wíllen samenvallen, oplossen in het geheel. Opdat geluk permanent is, en woede en angst verdampen; opdat er geen spanningsveld meer bestaat tussen ik en de ander.

Laatst sprak ik een therapeut. Ze gaat ons helpen om ons oudste kind zelfredzamer te maken. Ons mèske voelt zich regelmatig gevangen tussen de behoefte van haar omgeving en haar eigen behoefte, en als escape kan ze niet veel meer verzinnen dan uitstelgedrag. Ik zie haar lijden, en noch ik, noch mijn vriendin is geoutilleerd genoeg om haar daaruit te redden.
In dat gesprek sprak deze therapeut over het helend vermogen van huilen, en gaf zonder met haar ogen te knipperen stellig aan dat dit helend werkte. Ik lachte, ietwat schamper. Ja. Het gebeurt nog vaak genoeg dat ik niet actief kan optreden tegen de baude uitspraken van professionals. Maar al wel passief, als een uitnodiging. En ze nam, heel oplettend, mijn onbeholpen uitnodiging aan en vroeg me naar mijn lachje. Ik zei zonder met mijn ogen te knipperen dat het heel wel mogelijk is dat je je je ogen uit je lijf huilt, tot er geen zout meer over is, en dat dat dan niet leidt tot ook maar één gram opluchting.

Ze keek me aan en zei: “Zover reikt mijn ervaring niet. Het lijkt me uitermate naar als er dan geen verbinding mogelijk is”.

Hel.
Hemel.

Herinnering 3: Zwemles

januari 1976

Ik sta langs de rand van het grote zwembad in Breda, en de badmeester zegt dat ik moet wachten, terwijl hij een nieuw kleurtje voor mijn zwembroek haalt. Rood. Ik mag een bad dieper. Maar ik ben helemaal niet blij. Aan het eind van het lange bad zie ik mijn klasgenootjes de kleedkamer ingaan. Ik wacht. Wacht. Wacht. Ril. Het is koud. Donker buiten, het is tenslotte winter. De bus gaat weg zonder mij. Als ik aanstalten maak om de kleedkamer in te duiken, komt daar de badmeester weer aan. Een rood plakkertje. Naald en draad. Begint zwijgend mijn rode plakkertje op mijn zwembroek te naaien. De tijd verstrijkt. Ik weet niet of hij iets zegt, ik hoor hem niet. Het zwembad is zo stil. Eindelijk is ´ie klaar en ik ren naar de kleedkamer. Iedereen is weg. Ik kleed me zo snel als ik kan aan, maar weet dat ik te laat ben. Iedereen is weg, en ik ken hier niemand. Iedereen is weg, en ik ken hier niemand. Iedereen is weg, en ik ken hier niemand. Knoop in mijn schoenen. Loshalen. Opnieuw. Opnieuw. Ik red het niet. Alleen. Alleen. Alleen. Mijn blauw wit rode zwem-tasje zwiept over mijn schouder als ik de kleedkamer uithol, naar buiten. Glazen deuren door. De bus staat er. Zuster A. is ons aan het tellen. Ik word naar binnen gehesen. Nog één plaatsje vrij.

Het is een week later, weer schoolzwemmen. Ik wil niet. Zit doodsbang op mijn stoeltje. Ik wil naar huis, ik wil naar huis, ik wil naar mamma. De klas staat op, loopt naar de garderobe, om daar de zwemspullen op te halen. Ik ben als eerste weg en hol de gang door. Mijn zwem-tas bungelt aan de haak, maar niet voor lang. Ik stop ´m weg achter een jas die er al maanden hangt. Wacht dan tot iedereen binnen is, en wegloopt. Stap naar zuster A.. ‘Ben mijn zwemspullen vergeten’. Ze loopt met me mee de garderobe in en samen zoeken we. Er is niets te vinden. ‘Ga maar naar huis’, zegt ze. Ik knik, zichtbaar beteuterd. Als de deur dichtklapt, kijk ik naar de bus. Zuster A. stapt in, de bus vertrekt. Ik haal mijn tas onder de oude jas vandaan, en slenter naar huis. Opgelucht. Licht. Veilig. Over het grasveldje trek ik aan het touwtje uit de brievenbus. Zwaai de deur open. De gang door. De huiskamer in. Mijn mamma staat daar. Ze is zo groot. ‘Waar kom jij vandaan?’ Ik zwaai de tas in de hoek van de kamer. ‘Ik had geen zin’, zeg ik. Mamma wordt ontzettend boos. Dat ik haar heel ongelukkig maak, en verdrietig. Dat zij nu alles weer moet rechtzetten. Ik heb pijn in mijn buik als ik zachtjes de trap op loop. Naar mijn kamertje. Niet meer opgelucht. Niet meer licht. Niet meer veilig. Buiten. Buiten is het donker.

Het is weer een week later, weer schoolzwemmen. Zuster A. vraagt me niet of ik nu mijn zwemspullen bij heb. Ze vraagt me of ik nu wél zin heb om te zwemmen. Ik denk aan onze zoektocht. Durf haar niet meer aan te kijken, staar naar de grond.

Ik knik van ja.

Overdenking 1: Waarom wij niet mogen weten.

22-12-2015 07:02

Stel. Je bent een bemanningslid van een schip. Je hebt een kaart in de hand waarin dé schat staat afgebeeld. Deze ligt ten westen van je huidige positie. Vervolgens roept de kapitein: “We gaan oostwaarts!”, met een dikke grijns op z’n smoel. Het behoeft weinig betoog om je voor te stellen dat dit zal leiden tot flink wat tumult, waarin de geestelijke gesteldheid van de kapitein  een primair onderwerp van discussie is.

In short: het wéten van de eindbestemming leidt per definitie tot een relativering in het geloof in de kapitein. En daarmee tot lijden gegenereerd door ons eigen verstand, immers: ons eigen inzicht zegt westwaarts te gaan. Zeker niet oostwaarts. Wat een kluns.

Maar wat als wij als eenvoudig bemanningslid  kaart noch doel hebben? Er is dan een reis, maar waarheen en waarvoor, geen idee. In dat geval hebben we de mogelijkheid om ons vertrouwen in de kapitein te maximaliseren tot 100%. Voor een volledige gemoedsrust blijft er feitelijk weinig anders mogelijk.
Zeker als betreffende kapitein ‘Kosmos’, ‘God’, of ‘Toeval’ is. Die figuren lijken nogal slecht bereikbaar te zijn voor een beetje beïnvloeding en/of communicatie.

Stel. Onze bestemming is een vorm van één-zijn, een samenvallen met het geheel, totale opname. Zou dat dan, gezien het voorafgaande, niet slechts kunnen als we ons verre houden van route en doel?

De paradox is dit: als wij de bestemming weten, is onze bestemming onbereikbaar geworden. Terwijl we aangekomen zijn, als we bedenken dat de reis aan ons is, en we concepten als doel en richting laten verwaaien in de wind.

Mooi hè?

Het nare van deze redenering is dat dat deel van ons brein dat in staat is te denken in ‘gisteren’ en ‘morgen’ en ‘doelen’ en ‘richting’ dan als een trieste afwijking moet worden beschouwd die ons van ons geluk afhoudt. Wat dan weer betekent dat de kapitein nogal heeft gefaald in ons design. Waardoor die stap naar 100% vertrouwen wel een hele domme stap lijkt te wezen.

Lastig, lastig, lastig.